Datum: dinsdag 2 augustus 2011
Onzorgvuldig handelen kost de fiscus geld
Als een ondernemer een bezwaarschrift moet indienen vanwege onzorgvuldigheid van de kant van de Belastingdienst bij het opstellen van de voorlopige aanslag vennootschapsbelasting (VPB), kan hij een vergoeding krijgen voor de kosten die hij maakt voor het indienen van dit bezwaarschrift. De Hoge Raad heeft dit in een recent arrest bepaald.
Dividenduitkering
In deze zaak ging het om een directeur-grootaandeelhouder (dga),
die een voorlopige aanslag inkomstenbelasting over 2008 kreeg van
de Belastingdienst. De inspecteur baseerde de voorlopige aanslag op
gegevens over 2007 waarin de dga een incidentele dividenduitkering
had ontvangen van € 250.000. De dga was het niet eens met de hoogte
van de voorlopige aanslag en diende een bezwaarschrift in.
Kostenvergoeding
In de jaren vóór 2007 was het inkomen uit aanmerkelijk belang
namelijk nihil. Tevens verzocht hij de inspecteur om een
kostenvergoeding. De inspecteur ging mee met het bezwaar, maar was
niet van plan om een kostenvergoeding te geven. De Hoge Raad moest
uiteindelijk bepalen of de inspecteur verplicht was om een
kostenvergoeding te geven.
Onrechtmatigheid inspecteur
De Hoge Raad bepaalde dat de inspecteur een voorlopige aanslag
in de inkomstenbelasting kon opleggen voor maximaal het bedrag
waarop de aanslag vermoedelijk zou worden vastgesteld. Voor het
vaststellen van de hoogte van deze aanslag mocht de inspecteur
aansluiten bij de gebruikte gegevens over 2007, omdat dit de meest
recente aanslag over het meest recente kalenderjaar was.
Dit was echter anders als de inspecteur ook zonder onderzoek uit
de voor hem beschikbare gegevens kon afleiden dat de gebruikte
gegevens niet bepalend konden zijn voor het vaststellen van de
aanslag over 2008. De inspecteur gebruikte echter toch deze
gegevens, wat in strijd was met de gewenste zorgvuldigheid. Volgens
de Hoge Raad was de te hoge voorlopige aanslag te wijten aan de
onrechtmatigheid van de inspecteur. Een kostenvergoeding was dan
ook op zijn plek.
Uitspraak
Hoge Raad, 10 juni 2011, LJN: BO7526
Bron: Fiscaal Rendement